Op deze pagina vind U een deel vam de uitgebreide geschiedenis terug over de actie "Mariacredit Card" en de 100-jarige geschiedenis van de katholieke kerk in Zuid-Nieuw Guinea/Zuid-Papoea.
De onderstaand elinks geven informatie over de het bisdom Merauke, de geschiedenis door de jaren heen en over de actie "100 Jaar Katholieke Kerk" zoals die de afgelopen tijd en nog steeds loopt.
Klik op de onderstaand vier links voor meer informatie, daaronder staat een algemeen verhaal over het ontstaan van de Kantholieke Kerk in Merauke.
ACTIE MARIA CREDITCARD / 100 JAAR KATHOLIEKE KERK MERAUKE
HISTORIE 100 JAAR KATHOLIEKE KERK
te MERAUKE, PAPUA
In
Nieuw-Guinea zijn veel missionarissen en zendelingen actief geweest. In de
Nederlandse tijd wilde het bestuur
het land in tweeën delen, omdat
dit gemakkelijker zou zijn.
Nadat het bestuur met beide kerken hadden overlegd, werd besloten een
denkbeeldige scheidslijn te trekken van oost naar west. Net als in Nederland
werd het noorden protestant en het zuiden katholiek. Daarom was de zending sterk
vertegenwoordigd in het Noorden, het
gebied met
als hoofdplaats
Jayapura
(hetvoormallige
Hollandia),
terwijl de missie vooral werkzaam was in het gebied rond het zuidelijke Merauke.
Er zijn inmiddels
(1991) ongeveer 600.000
protestanten en 250.000 katholieken op Irian Jaya. Nog steeds zijn deze kerken
actief, ieder in haar eigen gebied. Maar
inmiddels hebben ze onderling
zo’n goede verstandhouding weten op te bouwen, dat ze ook regelmatig
gezamenlijke kerkdiensten houden.
Op deze pagina's wordt een
overzicht gegeven hoe de Katholieke Kerk in Merauke is ontstaan.
De
stichting van de Congregatie van de
Missionarissen van het Heilig Hart
“De verhouding tussen mensen, alle mensen in onze wereld, is weldadig, rijk en
gelukkigmakend
als mensen leven vanuit hun hart.”
MOTTO CONGREGATIE ‘MISSTONARISSEN
VAN HET HEILIG HART’
De
idealistische Fransman Jules Chevalier maakte zich druk om de mensen die in zijn
ogen door rationalisme, egoisme en onverschilligheid ontspoord waren. Volgens
hem leefden zij daardoor zowel geestelijk als lichamelijk in grote armoede.
Tijdens zijn opleiding tot priester keerde hij steeds terug naar Jezus van
Nazareth, die voor hem een grote en inspirerende goedheid uitstraalde. Hij werd
er zelfs zo door gegrepen dat hij in het, zoals hij omschreef, ‘Heilig Hart van
Jezus’ hét geneesmiddel zag voor de problemen van die tijd. In 1854 werd
Chevalier kapelaan in het stadje Issoudun in MiddenFrankrijk. Daar was het dat
hij besloot zijn leven in dienst te stellen van de liefde die hij
aantrof in het hart van Christus. Door zijn overtuiging inspireerde hij
andere priesters om samen met hem te leven en te werken en zo ontstond de
kloostergemeenschap van ‘de Congregatie van de Missionarissen van het Heilig
Hart’ (m.s.c.).
Deze
congregatie werd officieel gesticht in 1855. Al snel groeide ze uit tot een
internationale organisatie. Dit kwam vooral dankzij de stichting van de zogenaamde
‘Apostolische Scholen’ waar op jongens les kregen die graag priester wilden
worden, maar niet in staat waren hun eigen opleiding te betalen. Deze scholen
verspreidden zich over heel Europa.
De eerste congregatie in Nederland werd gevestigd in Tilburg,
Noord-Brabant. Omdat pater Chevalier de sterke behoefte voelde om zijn idealen ook
buiten de grenzen van Europa te verbreiden, zette hij de congregatie op de weg
van het missiewerk. De jongens die pater of broeder wilden worden in zijn
gemeenschap, droomden hardop van missionaris worden ‘in den vreemde’. Daarom
vertrokken al in 1881 de eerste m.s.c.missionarissen naar het toen nog
onbekende Melanesië, de eilanden tussen Australië en Indonesie. Daar leefden
volgens hen de armsten der annen nog in het Stenen Tijdperk.
Op 14 Augustus 1905 vestigde de
Nederlandse m.s.c.-groep zich ook in NederlandsNieuw-Guinea, in het nog niet
ontsloten en ruige land van de Marind aan de zuidkust. Dit land had men tot dan
toe bewust vermeden, want men meende dat er alleen maar koppensnellers en
kannibalen woonden. Ondanks deze geruchten wilden de paters en broeders van de
m.s.c. toch naar Nederlands Nieuw-Guinea, omdat daar naar hun mening mensen
woonden die heel weinig hadden, zowel in materieel als in geestelijk opzicht.
Deze korte geschiedenis van de Congregatie van de Missionarissen van hetHeilig Hart zou niet volledig zijn, wanneer de stichting van ‘De Dochters van Onze Lieve Vrouw van het Heilig Hart’ onvermeld zou blijven. Pater Chevalier had, behalve voor Christus, ook een bijzondere verering voor Maria, de moeder van Christus. Hij omschreef haar als een ‘Lieve Vrouw’ en zag in haar het Heilig Hart van Jezus weerspiegeld: Maria was de Moeder van het Heilig Hart. In 1874 kondigde hij de oprichting van deze congregatie aan, waarvan de weduwe Marie Louise Hartzer de eerste Generale Overste werd. Beide gemeenschappen zijn verbonden door dezelfde levensbeschouwing, die tot uitdrukking komt in hun verering van het Heilig Hart. Samen verrichten ze dan ook hun missionaire arbeid in alle delen van de wereld.
De eerste missionarissen in Merauke
In Nederlands Nieuw-Guinea opende de Nederlandse regering in 1902 een post in Merauke aan de zuidkust. In 1905 (14 augustus 1905) kwamen de eerste missionarissen - paters en broeders - naar deze plaats. Er waren daar toen heel veel zieken, die niet te genezen waren met de middelen die de missie en het bestuur op dat moment voor handen hadden. Ze openden een ziekenhuis en een schooltje, maar hadden met veel tegenslagen te maken, zodat hun werk nog weinig resultaat had. Op aandrang van pater Vertenten, die van 1920 tot 1925 in Merauke werkte, kwam er in 1921 een arts die de vele zieken behandelde.
De situatie ter plekke
“Ondertussen
was het die jaren steeds duidelijker geworden dat er een zeer besmettelijke en
dodelijke geslachtsziekte was gaan woekeren onder deze Marindmensen. Deze ziekte
verspreidde zich heel snel, want Kopfeesten en anderefeesten gingen gewoon door
en daarbij was het geslachtsverkeerpraktisch vrij en onbelemmerd. (...) Pater
Vertenten legde de Marind uit dat volgens hem juist door hun feesten de ziekte
zich steeds verder uitbreidde. Hij probeerde hen op een andere manier feest te
laten vieren en gezonder te laten leven door zogenaamde ‘modeldorpen’ te maken.
Vertenten hamerde op het schoonhouden van de dorpen omdat dit de aandacht van
het snellen afhield. Even leek z:ijn plan te gaan slagen, rnaar na verloop van
tijd keerden de Marind toch weer terug naar hun eigen leven.”
BEWERKING uit: J. SNEEKES,
HADDEN ZE ONS MAAR WILD GELATEN (SITTARD 1987)
Een missionaris die met zijn werk in het binnenland zou beginnen, was pater Meuwese. Hij kwam er in 1937 aan en zou blijven tot 1963. In die tijd legde hij contacten met veel papoeastammen. Dit was lang niet altijd even gemakkelijk voor hem. Vaak trof hij namelijk op zijn tochten halflege dorpen aan omdat de mannen op sneltocht waren. Soms waren de dorpelingen wel aanwezig, wat hij gauw in de gaten kreeg als ze hem met zwaaiende speren en gespannen bogen stonden op te wachten. In weer andere gevallen stonden ze hem te woord en wilden ze wel mee om hem in het gebied rond te leiden. Ook gebeurde het dat het dorp dat Meuwese bezocht, later leeggeroofd werd door de Papoea’s die hem vergezeld hadden. Voortaan hield hij hier rekening mee.
Het kostte Meuwese veel moeite om kennis te maken met de Papoea’s en hen daarna de bedoelingen van zijn komst duidelijk te maken. Zo wilde hij bijvoorbeeld dat de mannen zouden ophouden met de vecht- en moordpartijen onder elkaar, iets waaraan zij nog nooit eerder hadden gedacht en wat daarom helemaal niet bij hen aansloeg. Meuwese bleef echter volhouden, in de overtuiging dat het mogelijk moest zijn dat de Papoea’ s in vrede en vriendschap met elkaar zouden kunnen leyen. Toen pater Verschueren hem in 1948 bij zijn werk in het Mappi-gebied kwam assisteren, was Meuwese daar al den jaar bezig. In het boek dat Verschueren schreef over de reis die zij beiden maakten in het aangrenzend gebied, spreekt hij meer dan eens zijn bewondering uit over wat Meuwese door zijn missiewerk bij de Papoea’s had bereikt:
“Maar als ge dan
van den ‘weatherbeaten’ pastoor hoort, die daar kalm tegenover je zit te
schommelen in de labiele papoeaprauw, die ons van het ene dorp naar het andere
brengt, dat heel veel werk onder deze mensen nog maar ruim tien jaar oud is
(...) Dat het bovendien de grote moeilijkheden heeft meegemaakt van een oorlog,
waarin het zo dicht bij vijandelijk gebied lag, dat een gedeelte ervan zelfs
voor enigen tijd moest worden ontruimd (...) Als ge dan hoort dat de wilde
koppenjachten nog slechts enkele maanden tot het verleden behoren in de
randgebieden van deze parochie (...) Als ge dan hoort dat het verschrikkelijke
geluid van de snelhoorn tot slechts voor een paar jaar terug overal te horen was
(...) Ge staat werkelijk perplex van wat hier allemaal bereikt is: ieder dorp
heeft zijn eigen school, zijn eigen onderwijzer. Ieder dorp ligt mee gebonden in
de kalme rust, die moeilijk is verworven onder deze bonkige en norse
koppensnellers. Al kijken ze nog zuur, de oude koppensnellers en hun zonen, ze
beginnen die onrust in hun ogen al te verliezen.”
BEWERKING UIT: J.
VERSCHUEREN, NIEUW GUINEA, UW NAAM IS WILDERNIS (Bussum 1950)
Niet alleen Meuwese baggerde rond in de moerassen van Zuid-Nieuw-Guinea. Er gingen hem verscheidene paters, broeders en leken voor, en na hem zouden er nog velen volgen. Dag in dag uit werkten zij allen aan het verbeteren van de verhoudingen tussen zowel de Papoea’s onderling als tussen de Papoea’s en hun goeroes. Dit laatste zijn wat wij in Nederland onderwijzers noemen. Zij kwamen meestal van de Molukken en van de eilanden Kei. In de dorpen aan de kust gaven zij onder andere katechesatielessen aan de Papoea’s, omdat zij meenden dat dit aansioot bij hun religieuze behoeften. In de dorpen waar een goeroe was aangesteld, was het over het algemeen rustiger dan in dorpen waar dat niet het gevai was. Sommige Mappiers die op hun tochten naar de kust de orde en rust hadden gezien, schijnen zelf aan Meuwese gevraagd te hebben of zo’n onderwijzer ook niet in hun dorp kon komen. Zij wilden een figuur die veiigheid garandeerde, omdat het bestuur en de missie achter hem stonden.

Een lokale kerkgemeenschap
Langzaam maar zeker had het werk van de missionarissen resultaat. Hoewel de papoeajeugd soms liever in de kampong speelde, gingen de kinderen toch regelmatig naar school. De contacten die de paters en goeroes met de jongeren opbouwden, waren een aanzet tot het oprichten van een lokale kerk. Met het oog hierop hield Pater Meuwese op Pinksteren 1942 een eerste doopfeest. Daarbij doopte hij 30 jongens en 17 meisjes. Zij waren van huwbare ieeftijd en zouden weldra als jonggehuwden recht van spreken krijgen bij hun eigen mensen. Voor zowel de onderwijzers als de pastoor betekende het feest de bevestiging van het welslagen van hun werk. Ze zagen de toekomst van de katholieke gemeenschap als veelbelovend.
Meuwese over het eerste doopfeest
“Juist omdat die
jongeren moed toonden en nu al langere tijd door de onderwijzers waren
voorbereid, durfde ik aan een eerste doopfeest te gaan denken. Ik zocht naar een
mogelijkheid om bij die gelegenheid een duidelijk teken te stellen dat iedereen
ervan zou overtuigen dat de nieuwe tijd werkelijk begonnen was. Ik dacht toen
aan wat me was verteld over de ‘koppenboom’. Na een geslaagde sneltocht kappen
de Mappiërs een stevige boom om en dragen ze de stam met alle eerbied naar het
dorp. Daar wordt de boom geplant en aan de restanten van de takken worden de
gesnelde koppen opgehangen, tot in de kruintop toe. Deze triomf boom is een
teken voor vriend en vijand.
Op de vooravond van het doopfeest hebben de jongelui een evenzo machtige
boomstam naar het dorp gedragen. Daar bevestigden zij aan de stam een dwarsbalk
en met behulp van een stellage zetten zij een groot kruis overeind. Voor het
eerst waren er 1400 mensen, mannen en vrouwen, uit de omliggende dorpen bijeen.
Wat zij nooitgedurfd hadden, namelijk bij elkaar op bezoek komen, kon nu ineens
wel als de samenkomst van vrede onder het kruis. Heel de avond dansten gasten en
dorpsgenoten bij fakkellicht rond de kruisboom en riepen de trommen een orkaan
van geluid op. De gemoederen waren verhit. Ik was doodmoe op mijn slaapmatje
neergevallen. Maar al sliep ik, mijn geest bleef waken. Gespannen, onbewust
luisterend naar elk verdacht geluid dat op een gevecht zou wijzen. Middernacht
vielen plotseling de trommen stil, kreten weerklonken. Zonder daarbij na te
denken, sprong ik mijn huisje uit en rende ik naar het kruis. Daar stond ik met
de amen omhoog om kalmte te smeken, zonder te beseffen hoe ik erbij stond. Ik
had alleen mijn onderbroek aan en dat werkte zo geweldig op de lachspieren van
de hele menigte, dat spontaan de trommen opnieuw begonnen te roffelen. Alle
onmin was vergeten. Ik danste met hen mee en dat vond ik het hoogtepunt van mijn
aanpassing.”
BEWERKING uit J. BOELAARS,
TOT MENSEN GEZONDEN. MENSEN MET EEN MISSIE (OEGSTGEEST 1986)
Het was de missionarissen zeker niet alleen te doen om een zo groot mogelijk aantal mensen te dopen. Integendeel, het ging en gaat hen er vooral om de Papoea’s te ontwikkelen. Om dit te bereiken hebben de missionarissen zich voomamelijk bezig gehouden met activiteiten op het gebied van onderwijs, gezondheidszorg, economische ontwikkeling, betere behuizing en dergelijke. De missionarissen hadden binnen deze gebieden iedereen eigen taak. Naast hun taken als priester en pastor hielden de missionarissen zich ook bezig met het bestuderen van de talen, culturen en mentaliteit van de verschilende papoeastammen. Verder gaven de broeders de Papoea’s les op het gebied van landbouw, houtbewerking en techniek. De zusters werden ingeschakeld als ziekenverzorgsters en onderwijzeressen. In deze functies kwamen zij het meest in contact met de papoeavrouwen. Als deze vrouwen zwanger waren, zochten de ziekenverzorgsters hen op en de onderwijzeressen ontmoetten hen op de naai- en kookcursussen die zij gaven op de huishoudscholen in de meisjesintematen.

Invloeden van
buiten af zoals deze waren onvermijdelijk. OokTrees Esi benadrukt dat.
Zij is een papoeavrouw die ook les heeft gehad ‘bij de zusters’ en nu al 25 jaar
onderwijzeres is. Op de vraag of het voor de Papoea’s niet beter was geweest als
de Nederlandse missie zich niet met hen had bemoeid, antwoordt ze met stellige
overtuiging dat het goed is geweest wat de missie heeft gedaan:
‘Eén van de
bewijzen daarvan ben ik. Ik ben door de missionarissen opgevoed! Ze hebben veel
goede dingen gedaan voor de mensen. Ze hebben hen twintig, dertig jaar geleden
uit het bos gehaald en hen dorpen laten maken. Ze hebben scholen gebouwd... En
wat die modernisering betreft, die blijft niet alleen in Europa en ook niet in
Amerika. Er zijn namelijk ook andere mensen naar Nieuw-Guinea gekomen. Zij
kwamen van Ambon, Sulawesi, Java, maar vooral uit China. De oorspronkelijke
bewoners zagen dat die mensen kleren droegen, dat ze rookten, rijst aten, koffie
dronken en ze wilden dat ook graag. Ik denk niet dat de modernisering aan ons
voorbij gegaan was. Er zijn altijd mensen die komen omdat ze iets anders willen
gaan zien, doen en beleven.”
De toekomst van de katholieke kerk in Irian Jaya
De missie heeft een
periode gekend waarin zij vooral gericht was op zieltjes winnen. Die tijd lijkt
zo goed als voorbij. Op dit moment is ze gericht op onderwijs, landbouw en
gezondheidszorg. De Franciscaan Theo van den Broek, medewerker van het bureau
van de katholieke bisdommen in Merauke, beaamt dit.
“1k ben een soort projectrnanager geworden. We houden ons hier niet meer
bezig met bijbels vertalen. Het heeft toch geen enkele zin om hier theologie van
de koude grond te verkondigen, dan weet je zeker datje geen aanspraak krijgt.”
Volgens Van den Broek ligt de nadruk van de kerkopbouw op Irian in het
activeren van de kerk van onder af. “We hebben in 1976 een soort lokaal
Consilie georganiseerd. In iedere gemeenschap is gepraat over wat de kerk is,
wie de kerk zijn. Er zijn toen niet zozeer conclusies getrokken, maar er is
daana wel een sfeer opgeroepen. Nou weet iedereen dat de kerk niet de pastoor of
de bisschop is, maar de mensen die in de kampong samenkomen om te bidden.”
Over de toekomst van de katholieke kerk in Papua was Van den Broek in 1983 nog somber gestemd.
“De priesters daar zjjn voornamelijk buitenlanders. Zij zijn inmiddels allen aardig op leeftijd gekomen en willen daarom naar Nederland terugkeren.”
Op Papua zelf waren er tot nog toe te weinig kandidaten voor het priesterschap, om precies te zijn drie (1991). Dit kwam waarschijnlijk omdat het celibaat, dat onlosmakelijk is verbonden met het priesterschap, niet aantrekkelijk is voor papoeajongens. Een ongetrouwde man is in hun ogen een kneus. Inmiddels is de situatie verbeterd: behalve een kleine groep buitenlandse missionarissen is er een groeiende groep priesters en pastorale werkers uit andere delen van Indonesië die leiding geven in de verschillende regio’s. In de dorpen zelf draagt een lekenkader van Papoea’s zorg voor de kerkelijke activiteiten. Deze opzet werkt goed: leken hoeven zich immers niet aan het celibaat te houden.
Tot zover een korte beschrijving van de historie van de katholieke kerk in Zuid-Papua. Op de ander pagina's van deze website vindt U meer detaillering van deze geschiedenis.
SOURCE [3]
Mission History Guinea
On 1 July, 1885, the first Catholic priest, Father Verjus, set foot on Papuan soil. He devoted himself immediately to the care of the sick and the study of the native language, but was soon compelled to withdraw in consequence of the opposition of the Prottestant missionaries and the pressure they brought to bear on the British authorities. A change of governors allowed the return of the Catholic missionaries, and on 1 May, 1889, British New Guinea was erected into a vicariate Apostolic and Father Navarre appointed vicar Apostolic. He introduced the Sisters of the Sacred Heart of Issoudun, who rendered valuable assistance by instructing the native girls, taking charge of the churches and chapels, and even founding stations in the interior. On 12 Sept., 1889, Father Verjus was named Bishop of Limyra and coadjutor to Mgr Navarre. The task of conversion is attended with great difficulty, as the adult native, though he shows no resentment to his religious customs being ridiculed, obstinately adheres to them, even when they cause him excessive physical exertion. The latest statistics assign to the mission: 26 missionaries, 21 brothers, 38 sisters (all of the Sacred Heart of Issoudun), 15 catechists, 1500 Catholics, 7 stations with church and school, 2 orphanages, 28 schools with 1400 pupils. The Prefecture Apostolic of Dutch New Guinea was separated from the Vicariate Apostolic of Batavia on 22 December, 1902. Attended at first by the Jesuits, it was later entrusted to the Missionary Fathers of the Sacred Heart of Issoudun. The present, prefect Apostolic is the Rev. Father Noyens (residence on the Island of Langur), appointed in January, 1903. The mission now contains 14 Fathers and 11 Brothers of the Sacred Heart; 7 Sisters of Our Lady of the Sacred Heart; 16 native catechists; 2911 Catholics; 210 catechumens; 4 churches with resident priest; 12 churches without residence; 12 sub-stations; 16 schools with 300 pupils.
